Leerproblemen
Moeite met lezen, spellen, rekenen, schrijven, praten, automatiseren en concentreren.
Om te begrijpen waardoor leerproblemen ontstaan, is het goed te beseffen dat er aan veel voorwaarden moet worden voldaan om tot het schoolse leren te komen.
De onderstaande afbeelding laat duidelijk zien dat leren lezen, schrijven en rekenen, bovenaan de ontwikkelingsvolgorde staan. Dit betekent dat alle daaronder geplaatste ontwikkelcirkels eerst moeten zijn voltooid voordat er succesvol kan worden geleerd in de klas.
Fundering: reflexen
De reflexontwikkeling is de basis van alle ontwikkeling van een baby. Onder invloed van reflexen komen bewegingen tot stand die leiden tot de aanmaak van nieuwe zenuwverbindingen van, naar en in de hersenen. Deze verbindingen zorgen voor de connectie van verschillende hersengebieden. Wanneer meerdere hersengebieden via een stevig netwerk met elkaar verbonden worden, is het mogelijk het volledige potentieel van de hersenen te benutten. Op het moment dat reflexen niet integreren maar actief blijven, heeft dit consequenties voor de aanleg van deze zenuwverbindingen. Dit onrijpe zenuwstelsel zorgt voor uitval in de volgende lagen van de ontwikkelingsvolgorde; zintuigelijke prikkelverwerking, bewegingsontwikkeling, de auditieve en visuele verwerking en het schoolse leren in samenwerking met de executieve functies.
Wanneer je meer wilt weten over de functie, ontwikkeling en integratie van reflexen dan kun je verder lezen via onderstaande button.
Trede 1: Zintuigelijke prikkelverwerking
Onder invloed van reflexen worden de zintuigen ontwikkeld. Deze zijn onder te verdelen in nabijheids- en vertezintuigen:
Nabijheidszintuigen:
- Interoceptieve zintuigen: stellen ons in staat informatie die uit het lichaam komt, waar te nemen. Je kunt hierbij denken aan honger, dorst, temperatuur, ziekte, hartslag, ademhaling en behoefte naar het toilet te gaan.
- Vestibulaire zintuigen: verwerken sensorische informatie die te maken heeft met balans, zwaartekracht en beweging. Ook hebben ze een sterke invloed op de spierspanning. Tevens zorgt het vestibulaire systeem voor de samenwerking van alle verschillende zintuigen.
- Proprioceptieve zintuigen: helpen ons te bepalen waar het lichaam zich in de ruimte bevindt en geven informatie over de positie van de lichaamsdelen en het lichaam.
- Tactiele zintuigen: maken onderscheid in de plaats van aanraking en wat er wordt aangeraakt. Ook geven deze zintuigen de mate van gevaar door aan de hersenen.
Vertezintuigen:
- Gehoor: het waarnemen van geluidstrillingen.
- Zicht: het waarnemen van licht en beelden.
- Reuk: het waarnemen van diverse geuren.
- Smaak: het proeven van diverse smaken.
Wanneer de sensorische prikkelverwerking niet goed ontwikkelt, zal dit negatieve gevolgen hebben voor de opvolgende ontwikkelingscirkels; de bewegingsontwikkeling, het schoolse leren en de executieve functies.
Trede 2: Bewegingsontwikkeling
Onder invloed van de verschillende reflexen en zintuigelijke prikkelverwerking, komt de motorische ontwikkeling tot stand. Dit proces verloopt gelijktijdig met de ontwikkeling van de zintuigelijke prikkelverwerking en ondersteunt elkaar.
Wanneer een baby leert bewegen dan zal het eerst controle willen krijgen over het hoofd. Langzamerhand breidt deze controle zich uit langs de ruggengraat naar beneden zodat ook het bovenlichaam stabiel in rechtopstaande positie kan blijven (zitten) en later het totale lichaam (staan). De baby ontwikkelt zich van grof naar fijne motoriek, wat wil zeggen dat eerst het totale lichaam meedoet aan een beweging en gaandeweg de ontwikkeling steeds geïsoleerder bewogen kan worden naar het uiteinde van de handen en voeten toe.
De bewegingsontwikkeling die kind maakt, is onder te verdelen in verschillen fasen die elkaar opvolgen:
- Antagonistische/asymmetrische fase: wanneer de ene helft van het lichaam strekt, zal de andere lichaamshelft automatisch buigen; trappelende baby. De hersenhelften zijn afwisselend actief.
- Symmetrische fase: het kind maakt met beide armen of beide benen dezelfde beweging, zoals klappen, gooien met twee handen en springen. De hersenhelften zijn allebei actief. In eerste instantie bewegen onder- en bovenlichaam gelijktijdig. Later beweegt alleen het bovenlijf tegelijk of alleen het onderlijf tegelijk; homoloog.
- Lateralisatiefase: het kind kan ervoor kiezen met één lichaamsdeel de ene beweging te doen en met een ander lichaamsdeel een andere beweging; kruipen, schoolslag, klimmen in het klimrek, knippen, schrijven. De hersenhelften sturen beide een andere beweging aan waarbij ze wel samenwerken. In eerste instantie beweegt de ene lichaamshelft wel (linker arm en linker been worden opgetild) en de andere lichaamshelft doet niets; homolateraal. Later leert het kind de middenlijn van het lichaam te doorkruisen en kan het de linkerarm en het rechter ben optillen; heterolateraal.
- Dominantiefase: het kind heeft een duidelijke voorkeur voor een hand, oog, oor, voet en hersenhelft. Deze voorkeurskant ontwikkelt zich verder terwijl de niet-voorkeurskant achterblijft. Specifieke sportenvaardigheden kunnen worden ontwikkeld zoals tennis, snowboarden, boogschieten.
Tijdens de verschillende bewegingsfasen doen de baby en het kind ervaringen op die het lichaamsbewustzijn en het ruimtelijk bewustzijn beïnvloedt. Door te bewegen zullen ook de vestibulaire, proprioceptieve en tactiele zintuigen worden geactiveerd, wat leidt tot verdere ontwikkeling. Ook het oefenen van de ogen en oren hangt samen met verschillende lichaamshoudingen en bewegingen.
Wanneer deze motorische ontwikkeling zal worden verstoord of vertraging oploopt, heeft dit vanzelfsprekend negatieve gevolgen voor alle ontwikkelingscirkels uit de afbeelding.