Leerproblemen

Leerproblemen

Moeite met lezen, spellen, rekenen, schrijven, praten, automatiseren en concentreren.

Om te begrijpen waardoor leerproblemen ontstaan, is het goed te beseffen dat er aan veel voorwaarden moet worden voldaan om tot het schoolse leren te komen.

De onderstaande afbeelding laat zien dat leren lezen, schrijven en rekenen, bovenaan de ontwikkelingsvolgorde staan. Dit betekent dat alle daaronder geplaatste ontwikkelcirkels eerst moeten zijn voltooid voordat er succesvol kan worden geleerd in de klas.

Bron: Robyn Cox

Fundering: reflexen

De reflexontwikkeling is de basis van alle ontwikkeling van een baby. Onder invloed van reflexen komen bewegingen tot stand die leiden tot de aanmaak van nieuwe zenuwverbindingen van, naar en in de hersenen. Deze verbindingen zorgen voor de connectie van verschillende hersengebieden. Wanneer meerdere hersengebieden via een stevig netwerk met elkaar verbonden worden, is het mogelijk het volledige potentieel van de hersenen te benutten. Op het moment dat reflexen niet integreren maar actief blijven, heeft dit consequenties voor de aanleg van deze zenuwverbindingen. Dit onrijpe zenuwstelsel zorgt voor uitval in de volgende lagen van de ontwikkelingsvolgorde; zintuigelijke prikkelverwerking, bewegingsontwikkeling, de auditieve en visuele verwerking en het schoolse leren in samenwerking met de executieve functies.

Wanneer je meer wilt weten over de functie, ontwikkeling en integratie van reflexen dan kun je verder lezen via onderstaande button.

Trede 1: Zintuigelijke prikkelverwerking

Onder invloed van reflexen worden de zintuigen ontwikkeld. Deze zijn onder te verdelen in nabijheids- en vertezintuigen:

Nabijheidszintuigen:

  • Interoceptieve zintuigen: stellen ons in staat informatie die uit het lichaam komt, waar te nemen. Je kunt hierbij denken aan honger, dorst, temperatuur, ziekte, hartslag, ademhaling en behoefte naar het toilet te gaan.
  • Vestibulaire zintuigen: verwerken sensorische informatie die te maken heeft met balans, zwaartekracht en beweging. Ook hebben ze een sterke invloed op de spierspanning. Tevens zorgt het vestibulaire systeem voor de samenwerking van alle verschillende zintuigen.
  • Proprioceptieve zintuigen: helpen ons te bepalen waar het lichaam zich in de ruimte bevindt en geven informatie over de positie van de lichaamsdelen en het lichaam.
  • Tactiele zintuigen: maken onderscheid in de plaats van aanraking en wat er wordt aangeraakt. Ook geven deze zintuigen de mate van gevaar door aan de hersenen.

Vertezintuigen:

  • Gehoor: het waarnemen van geluidstrillingen.
  • Zicht: het waarnemen van licht en beelden.
  • Reuk: het waarnemen van diverse geuren.
  • Smaak: het proeven van diverse smaken.

Wanneer de sensorische prikkelverwerking niet goed ontwikkelt, zal dit negatieve gevolgen hebben voor de opvolgende ontwikkelingscirkels; de bewegingsontwikkeling, het schoolse leren en de executieve functies. Tevens heeft de sensorische ontwikkeling een grote invloed op het gedrag. Iedereen die snel overprikkeld is en dus niet goed tegen licht, geluid, labeltjes in de kleding, texturen van voeding of verschillende geurtjes kunnen, zullen daar vaak op een ongewenste manier op reageren. Deze gedragscomponent is voor de omgeving vaak erg storend.

Trede 2: Bewegingsontwikkeling

Onder invloed van de verschillende reflexen en zintuigelijke prikkelverwerking, komt de motorische ontwikkeling tot stand. Dit proces verloopt gelijktijdig met de ontwikkeling van de zintuigelijke prikkelverwerking en ondersteunt elkaar.

Wanneer een baby leert bewegen dan zal het eerst controle willen krijgen over het hoofd. Langzamerhand breidt deze controle zich uit langs de ruggengraat naar beneden zodat ook het bovenlichaam stabiel in rechtopstaande positie kan blijven (zitten) en later het totale lichaam (staan). De baby ontwikkelt zich van grof naar fijne motoriek, wat wil zeggen dat eerst het totale lichaam meedoet aan een beweging en gaandeweg de ontwikkeling steeds geïsoleerder bewogen kan worden naar het uiteinde van de handen en voeten toe.

De bewegingsontwikkeling die een kind maakt, is onder te verdelen in verschillen fasen die elkaar opvolgen:

  • Antagonistische/asymmetrische fase: wanneer de ene helft van het lichaam strekt, zal de andere lichaamshelft automatisch buigen; trappelende baby. De hersenhelften zijn afwisselend actief.
  • Symmetrische fase: het kind maakt met beide armen of beide benen dezelfde beweging, zoals klappen, gooien met twee handen en springen. De hersenhelften zijn allebei actief. In eerste instantie bewegen onder- en bovenlichaam gelijktijdig. Later beweegt alleen het bovenlijf tegelijk of alleen het onderlijf tegelijk; homoloog.
  • Lateralisatiefase: het kind kan ervoor kiezen met één lichaamsdeel de ene beweging te doen en met een ander lichaamsdeel een andere beweging; kruipen, schoolslag, klimmen in het klimrek, knippen, schrijven. De hersenhelften sturen beide een andere beweging aan waarbij ze wel samenwerken. In eerste instantie beweegt de ene lichaamshelft wel (linker arm en linker been worden opgetild) en de andere lichaamshelft doet niets; homolateraal. Later leert het kind de middenlijn van het lichaam te doorkruisen en kan het de linkerarm en het rechter ben optillen; heterolateraal.
  • Dominantiefase: het kind heeft een duidelijke voorkeur voor een hand, oog, oor, voet en hersenhelft. Deze voorkeurskant ontwikkelt zich verder terwijl de niet-voorkeurskant achterblijft. Specifieke sportenvaardigheden kunnen worden ontwikkeld zoals tennis, snowboarden, boogschieten.

Tijdens de verschillende bewegingsfasen doen de baby en het kind ervaringen op die het lichaamsbewustzijn en het ruimtelijk bewustzijn beïnvloeden. Door te bewegen zullen ook de vestibulaire, proprioceptieve en tactiele zintuigen worden geactiveerd, wat leidt tot verdere ontwikkeling. Ook het oefenen van de ogen en oren hangt samen met verschillende lichaamshoudingen en bewegingen.

Wanneer deze motorische ontwikkeling zal worden verstoord of vertraging oploopt, heeft dit vanzelfsprekend negatieve gevolgen voor alle ontwikkelingscirkels uit de afbeelding. De samenwerking van de twee hersenhelften (lateralisatie) is ontzettend belangrijk in het leerproces. Kinderen die moeite hebben met het doen van kruisbewegingen, hebben veelal moeite met leren lezen, schrijven, spellen en rekenen. Het leren kruipen, hinkelen, fietsen, zwemmen en huppelen wordt daardoor ook bemoeilijkt. Op het gebied van gedrag en concentratie zijn er vanzelfsprekend daardoor ook uitdagingen op te merken.

Trede 3: Auditieve en visuele verwerking

Onder invloed van de diverse reflexen, de sensorische prikkelverwerking en de bewegingsontwikkeling worden de hersenen vaardiger in het verwerken van beeld en geluid.

Het waarnemen van geluid, via de oor-sensor, leidt niet direct tot de mogelijkheid te begrijpen wat er wordt gehoord. Wanneer een pasgeboren baby de ouders hoort praten, kan het de gesproken taal (nog) niet omzetten in betekenis. Hiervoor zijn verbindingen nodig naar de specifieke hersendelen die verantwoordelijk zijn voor het interpreteren, decoderen en begrijpen van geluid. Ditzelfde geldt ook voor het waarnemen van beeld. De hersenen kunnen het beeld pas interpreteren, decoderen en begrijpen wanneer er voldoende verbindingen tussen de gespecialiseerde gebieden zijn aangelegd.

Om goed te kunnen zien, is het belangrijk dat de ogen kunnen:

  • volgen: met soepele oogbewegingen van links naar rechts, van boven naar beneden en in cirkels een bewogen voorwerp kunnen volgen, zonder daarbij het hoofd mee te draaien.
  • richten: het scherpstellen op voorwerpen dichtbij en veraf (accommoderen)
  • samenwerken: het beeld verkregen met het ene oog en het beeld verkregen met het andere oog, maken samen één helder enkel beeld met diepte (binoculaire visie)

Al deze vaardigheden van het oog zijn gebaseerd op bewegingen.

Het interpreten, coderen en begrijpen van het beeld en geluid vindt plaats in de daarvoor gespecialiseerde hersengebieden. De samenwerking tussen de hersenhelften is daarbij van cruciaal belang omdat in de verschillende hersenhelften verschillende taken worden uitgevoerd. Zo wordt in de linker hersenhelft betekenis verleend aan beelden en woorden en in de rechter hersenhelft het visuele en auditieve geheugen geborgd. En in de linker helft worden details gedetermineerd en de rechter helft wordt de samenhang vorm gegeven. Om tot de juiste interpretatie te komen is informatie uit beide hersendelen dus ontzettend belangrijk.

Wanneer er actieve reflexen zijn, de prikkelverwerking nog niet goed verloopt en de bewegingsontwikkeling niet goed is doorgemaakt, ontbreekt het aan het juiste netwerk van zenuwverbindingen in de hersenen. De verschillende gespecialiseerde hersengebieden zijn daardoor niet goed genoeg met elkaar verbonden waardoor er problemen kunnen ontstaan op het gebied van spraak, taal en articulatie. Ook wordt het vermogen de wereld om ons heen visueel en auditief te volgen negatief beïnvloedt. Wanneer het scherpstellen van de ogen niet goed lukt, is het moeilijk diepte te zien wat leidt tot onzekerheid en onhandigheid in bewegen.